Sporen gewist in 08/09

Planeet Google

19/08/09

Bij het begin van de zomer maakte Google bekend dat het werkt aan een eigen besturingssysteem, Google Chrome OS. Dit nieuws had gemakkelijk stof kunnen bieden voor een extra hoofdstuk in Randall Stross’ boek over Planeet Google.

Stross, hoogleraar economie aan de San Jose State University, heeft jarenlang onderzocht hoe één bedrijf alle kennis wil managen. Zijn verslag leest als een trein en geeft een diepgaand inzicht in de filosofie en interne cultuur van Google. Zijn toon is daarbij allesbehalve moraliserend. Dit zou eventueel als een gebrek aan kritisch geluid kunnen worden opgevat, maar biedt de lezer vooral ruimte om zelf tot conclusies te komen.

Bovendien wordt de opkomst van Google niet eenzijdig als een succesverhaal afgeschilderd. Naast de grote beslissingen stelt de auteur ook Googles blunders in het daglicht. Terwijl Google zich halsstarrig bleef richten op het emotieloze algoritme, hadden bedrijven als Yahoo immers al lang begrepen hoe belangrijk virtuele internetgemeenschappen voor veel mensen zijn.

Het boek handelt dus niet alleen over Google. Naast voor de hand liggende vergelijkingen met Yahoo, Microsoft, Facebook, Wikipedia, … worden ook specifieke initiatieven ten opzichte van hun belangrijkste tegenhangers geplaatst: Google Translate versus SYSTRAN, Google Book Search versus Amazon Search Inside This Book, Google Video versus Apple iTunes, … Zo krijg je meteen ook een breder beeld van die andere spelers op de markt.

Stross heeft in de loop der jaren heel wat Googlers weten overhalen tot medewerking aan zijn boek. Ze maakten tijd vrij voor interviews, namen hem mee naar verkooppresentaties en lieten hem op de campus meeluisteren naar managerpraatjes. Wie in het boek op zoek is naar onthulling van bedrijfsgeheimen, zal echter van een teleurstellende reis terugkeren. Wel kom je te weten waarom het Google Docs & Spreadsheets is en niet Google Office, wat het verband is tussen centrale dataopslag en elektriciteitscentrales, waarom YouTube voor Google een avontuurlijke anomalie betekent, …

Vanwege de brandend actuele inhoud raad ik de geïnteresseerden aan om dit aanstekelijke boek zo snel als mogelijk te lezen!

Krabbel of babbel

9/08/09

ZB Digitaal maakte onlangs de staat van de biblioblogosfeer der Lage Landen op. Hij komt daarbij tot de conclusie dat anno 2009 op veel blogs nog slechts incidenteel updates verschijnen. Daarbij vraagt hij zich af of er sprake is van blogmoeheid (1), of men is overgestapt naar Twitter (2), of men het te druk heeft met andere dingen (3), of men geen heil meer ziet in weblogs als platform (4).

Voor mezelf gelden antwoord (3) en (4), maar als je er het laatste hoofdstuk van Alex Wright’s Glut op naleest, ligt de algemene oorzaak waarschijnlijk veeleer bij (1) en (2).

“As more and more people get online, their interactions feel increasingly like a vast, far-flung conversation. Ultimately the Internet’s popularity may have less to do with a renewed public love of reading and writing than with our deep-seated need to talk.”

Verder: “The Web is a place to talk.”

Als babbelen, zoals Wright zegt, in de aard van het beestje zit, dan lijkt het inderdaad plausibel dat de meeste mensen ook op het Web liever ‘babbelen’ dan schrijven/lezen.
Wie graag een eindje wegkletst, zal bloggen (in volzinnen) sneller moe zijn en zich waarschijnlijk met plezier bekeren tot toepassingen als Facebooks prikbord. Ik ken ook een aantal spraakwaters die nooit geblogd hebben en nu heel actief zijn op Twitter. Een vriendin, een praatlustig type, heeft pas vorig jaar voor het eerst een computer aangezet, maar is ondertussen niet meer van chat en Facebook weg te slaan.

De eerste 200 bladzijden van Glut zijn geschiedenislessen die snel uit mijn geheugen zullen verdwijnen, maar het laatste hoofdstuk houdt me bezig.

De laatste maanden voel ik een zeker onbehagen, iets in de trant van: “Web 2.0 is een boeiend gegeven, maar voor chat, Twitter en Facebook kan ik privé maar moeilijk warmlopen.” Ik zie vrienden vrolijk online chitchatten, elkaar goede vakanties wensen, elkaar uitnodigen voor quizjes, elkaar voorzien van faits divers. Ik doe dat zelden. Vraag me vervolgens af of ik wel een attente vriendin ben en of ik online toch niet wat spraakzamer moet zijn. Waarom kan ik me er moeilijk toe brengen om online met familie, vrienden of oude bekenden een babbeltje te slaan? Iemand even goeiedag zeggen kost weinig tijd of moeite.

Doordenkend op het laatste hoofdstuk van Glut vond ik het antwoord.
Ik ben geen babbelkous. Nooit geweest, offline niet en dus logischerwijs ook online niet. Nu het Web meer en meer ‘a place to talk’ wordt, voor Wright een logisch gevolg van de allesoverheersende mondelinge traditie (bekijk de gehele wereldgeschiedenis en je ziet hoe relatief het belang van geschreven tekst is), lijkt het niet vreemd dat de ‘schrijvers’ en ‘lezers’ onder ons zich daar wat onwennig, zo je wil ongelukkig, bij voelen.
Ik denk aan een column van Dimitri Verhulst over de verschrikkingen van sociale netwerksites (smoelboek) en Skype. Wat blijkt, hij vindt kletsen/chatten maar niets, houdt niet van klasreünies, telefoneert niet graag.

Dimitri Verhulst is een schrijver, ik ben ‘schriftelijk’ en een vriend van me is ook veeleer ‘lezerig’. Die chat niet, sms’t zelden en ondanks een profiel op Facebook doet hij nooit status updates. Als wij elkaar mailen, zijn dat meteen enkele A4-pagina’s, in schrijftaal.

Alex Wright heeft het er niet over, maar ondanks een instinctieve voorbestemdheid tot het gesproken woord is er vast een grote minderheid die zich – door opvoeding of omgeving, bv. stille ouders? – beter voelt bij het rustig neerpennen of lezen van volzinnen. Uit de niet altijd zo gesmaakte ‘babbel’zaken onder de 23 Dingen meen ik trouwens te mogen afleiden dat menig bibliotheekmedewerker de symptomen van Dimitri Verhulst vertoont.