Sporen door 'bronnenonderzoek' ontdekt

Planeet Google

19/08/09

Bij het begin van de zomer maakte Google bekend dat het werkt aan een eigen besturingssysteem, Google Chrome OS. Dit nieuws had gemakkelijk stof kunnen bieden voor een extra hoofdstuk in Randall Stross’ boek over Planeet Google.

Stross, hoogleraar economie aan de San Jose State University, heeft jarenlang onderzocht hoe één bedrijf alle kennis wil managen. Zijn verslag leest als een trein en geeft een diepgaand inzicht in de filosofie en interne cultuur van Google. Zijn toon is daarbij allesbehalve moraliserend. Dit zou eventueel als een gebrek aan kritisch geluid kunnen worden opgevat, maar biedt de lezer vooral ruimte om zelf tot conclusies te komen.

Bovendien wordt de opkomst van Google niet eenzijdig als een succesverhaal afgeschilderd. Naast de grote beslissingen stelt de auteur ook Googles blunders in het daglicht. Terwijl Google zich halsstarrig bleef richten op het emotieloze algoritme, hadden bedrijven als Yahoo immers al lang begrepen hoe belangrijk virtuele internetgemeenschappen voor veel mensen zijn.

Het boek handelt dus niet alleen over Google. Naast voor de hand liggende vergelijkingen met Yahoo, Microsoft, Facebook, Wikipedia, … worden ook specifieke initiatieven ten opzichte van hun belangrijkste tegenhangers geplaatst: Google Translate versus SYSTRAN, Google Book Search versus Amazon Search Inside This Book, Google Video versus Apple iTunes, … Zo krijg je meteen ook een breder beeld van die andere spelers op de markt.

Stross heeft in de loop der jaren heel wat Googlers weten overhalen tot medewerking aan zijn boek. Ze maakten tijd vrij voor interviews, namen hem mee naar verkooppresentaties en lieten hem op de campus meeluisteren naar managerpraatjes. Wie in het boek op zoek is naar onthulling van bedrijfsgeheimen, zal echter van een teleurstellende reis terugkeren. Wel kom je te weten waarom het Google Docs & Spreadsheets is en niet Google Office, wat het verband is tussen centrale dataopslag en elektriciteitscentrales, waarom YouTube voor Google een avontuurlijke anomalie betekent, …

Vanwege de brandend actuele inhoud raad ik de geïnteresseerden aan om dit aanstekelijke boek zo snel als mogelijk te lezen!

Krabbel of babbel

9/08/09

ZB Digitaal maakte onlangs de staat van de biblioblogosfeer der Lage Landen op. Hij komt daarbij tot de conclusie dat anno 2009 op veel blogs nog slechts incidenteel updates verschijnen. Daarbij vraagt hij zich af of er sprake is van blogmoeheid (1), of men is overgestapt naar Twitter (2), of men het te druk heeft met andere dingen (3), of men geen heil meer ziet in weblogs als platform (4).

Voor mezelf gelden antwoord (3) en (4), maar als je er het laatste hoofdstuk van Alex Wright’s Glut op naleest, ligt de algemene oorzaak waarschijnlijk veeleer bij (1) en (2).

“As more and more people get online, their interactions feel increasingly like a vast, far-flung conversation. Ultimately the Internet’s popularity may have less to do with a renewed public love of reading and writing than with our deep-seated need to talk.”

Verder: “The Web is a place to talk.”

Als babbelen, zoals Wright zegt, in de aard van het beestje zit, dan lijkt het inderdaad plausibel dat de meeste mensen ook op het Web liever ‘babbelen’ dan schrijven/lezen.
Wie graag een eindje wegkletst, zal bloggen (in volzinnen) sneller moe zijn en zich waarschijnlijk met plezier bekeren tot toepassingen als Facebooks prikbord. Ik ken ook een aantal spraakwaters die nooit geblogd hebben en nu heel actief zijn op Twitter. Een vriendin, een praatlustig type, heeft pas vorig jaar voor het eerst een computer aangezet, maar is ondertussen niet meer van chat en Facebook weg te slaan.

De eerste 200 bladzijden van Glut zijn geschiedenislessen die snel uit mijn geheugen zullen verdwijnen, maar het laatste hoofdstuk houdt me bezig.

De laatste maanden voel ik een zeker onbehagen, iets in de trant van: “Web 2.0 is een boeiend gegeven, maar voor chat, Twitter en Facebook kan ik privé maar moeilijk warmlopen.” Ik zie vrienden vrolijk online chitchatten, elkaar goede vakanties wensen, elkaar uitnodigen voor quizjes, elkaar voorzien van faits divers. Ik doe dat zelden. Vraag me vervolgens af of ik wel een attente vriendin ben en of ik online toch niet wat spraakzamer moet zijn. Waarom kan ik me er moeilijk toe brengen om online met familie, vrienden of oude bekenden een babbeltje te slaan? Iemand even goeiedag zeggen kost weinig tijd of moeite.

Doordenkend op het laatste hoofdstuk van Glut vond ik het antwoord.
Ik ben geen babbelkous. Nooit geweest, offline niet en dus logischerwijs ook online niet. Nu het Web meer en meer ‘a place to talk’ wordt, voor Wright een logisch gevolg van de allesoverheersende mondelinge traditie (bekijk de gehele wereldgeschiedenis en je ziet hoe relatief het belang van geschreven tekst is), lijkt het niet vreemd dat de ’schrijvers’ en ‘lezers’ onder ons zich daar wat onwennig, zo je wil ongelukkig, bij voelen.
Ik denk aan een column van Dimitri Verhulst over de verschrikkingen van sociale netwerksites (smoelboek) en Skype. Wat blijkt, hij vindt kletsen/chatten maar niets, houdt niet van klasreünies, telefoneert niet graag.

Dimitri Verhulst is een schrijver, ik ben ’schriftelijk’ en een vriend van me is ook veeleer ‘lezerig’. Die chat niet, sms’t zelden en ondanks een profiel op Facebook doet hij nooit status updates. Als wij elkaar mailen, zijn dat meteen enkele A4-pagina’s, in schrijftaal.

Alex Wright heeft het er niet over, maar ondanks een instinctieve voorbestemdheid tot het gesproken woord is er vast een grote minderheid die zich – door opvoeding of omgeving, bv. stille ouders? – beter voelt bij het rustig neerpennen of lezen van volzinnen. Uit de niet altijd zo gesmaakte ‘babbel’zaken onder de 23 Dingen meen ik trouwens te mogen afleiden dat menig bibliotheekmedewerker de symptomen van Dimitri Verhulst vertoont.

Over ontologieën

29/01/09

Tegenwoordig is web 2.0 in de bibliotheekwereld een ingeburgerd begrip. Er dient zich echter al een volgende fase aan in de ontwikkeling van het www: het semantische web of web 3.0.

Over deze volgende versie van het web gaat Finding the concept, not just the word: a librarian’s guide to ontologies and semantics.

Brandy King en Kathy Reinold doen hierbij nauwelijks of geen uitspraken over de toekomst van de bibliotheek. Veeleer dan beschouwingen geven ze de bibliothecaris een concrete technische uitleg. Ontologieën bevinden zich immers op de kruising van taalkunde en technologie. Voor wie al bekend is met classificaties en thesauri, zal dit evenwel vertrouwd overkomen. Kort gezegd gaat het bij een ontologie over een verzameling van concepten en de relaties daartussen, bedoeld om de computer binnen een bepaald kennisgebied de betekenis achter natuurlijke taal te laten begrijpen.

Eerst leggen de auteurs het verschil uit tussen een Booleaanse en een semantische zoekvraag. Daarbij komen begrippen ter sprake als natural language processing, parsers, precisie en vangst.

Vervolgens leer je aan de hand van een duidelijk voorbeeld hoe een ontologie in negen stappen kan worden opgebouwd.

Daarna volgt het verslag van vier boeiende case studies. MINDSWAP’s Profiles in Terror project spreekt daarbij het meest tot de verbeelding: doordat ontologieën verbanden tussen informatie zichtbaar maken, kunnen ze helpen in de strijd tegen het terrorisme.

Verderop in het boek komen enkele meer geavanceerde onderwerpen aan bod. Zo krijg je een overzicht en onderlinge vergelijking van de talen waarin ontologieën kunnen worden uitgedrukt: XML, RDF, OWL en SKOS. Ook wordt de nodige aandacht besteed aan software om ontologieën te creëren, visualiseren en beheren.

Tot slot hebben King en Reinold het over de rol van de bibliothecaris met betrekking tot het semantische web. In de toekomst zal hij niet langer de intermediair zijn die de vraag van de gebruiker vertaalt naar de zoekmachine, maar moet hij de zoekmachines mee helpen betekenis geven, zodat gebruikers zelf hun vragen kunnen stellen in hun eigen natuurlijke taal. Een bibliothecaris is volgens de auteurs immers perfect geplaatst om termen te categoriseren en relaties te definiëren.

Hiermee wordt afgeweken van het web 2.0 gedachtegoed: ontologieën zijn niet het domein van de gebruikers of het ‘volk’, maar worden gebouwd door experten die bepalen wat de meest belangrijke concepten en relaties binnen een bepaald interessegebied zijn.

Is ontologieën creëren werkelijk de toekomstige taak van de bibliothecaris? Gezien de tijd, mankracht en gelden die de verwezenlijking van het semantische web vraagt, lijkt deze visie me wat kort door de bocht.
Maar, ook al ontbreekt enige nuancering ten aanzien van andere methodes van informatieontsluiting, dit is zonder meer een zeer verhelderend boek over het wat en hoe van ontologieën.

Tagging

29/09/08

Sinds de openbare bibliotheek van Amsterdam vanaf maart 2008 haar gebruikers toelaat om eigen trefwoorden toe te voegen, is tagging in Nederland en Vlaanderen een hot topic.
In 2008 verscheen ook het eerste echte Engelstalige boek over tags.

Tagging

Tagging: People-Powered Metadata for the Social Web van Gene Smith heeft als doel uit te leggen wat tagging is en wil in de eerste plaats een hulp zijn bij het ontwerpen van tagging systemen. In die zin richt het zich tot webdesigners en informatiearchitecten die een tagging systeem wensen te implementeren, maar ondanks die gespecialiseerde doelgroep is Tagging ook voor niet-techneuten licht verteerbaar.

Zeker de eerste vier hoofdstukken, het boek gaat van meer algemene naar meer specifieke onderwerpen, zijn voor álle informatiewerkers makkelijk leesbaar. Bovendien komen daarin het belang en de waarde van tagging aan bod, zowel voor gebruikers als voor ontwikkelaars, alsook een vergelijking van tags als metadata tegenover andere vormen van ontsluiting. Zonder vooringenomenheid beschrijft Gene Smith de spanning tussen de verschillende systemen en somt hij de pro’s en contra’s van tagging op. Voor elk van de aangehaalde valkuilen biedt hij gepaste oplossingen aan.
Hoofdstuk 5 tot en met 7 behandelen de meer technische aspecten zoals navigatie via tags, visualisatie van tags, datamodellen en scripts.
Beslist het lezen waard zijn de drie case studies in bijlage: Social Bookmarking (Del.icio.us), Media Sharing (YouTube, Flickr, Facebook, SlideShare) en Personal Information Management (Microsoft’s Photo Gallery, BlueOrganizer).

Dit alles is gegoten in een overzichtelijke lay-out, rijkelijk geïllustreerd en geschreven in een rechttoe rechtaan Engels. Een aanrader!

Er is ook een website die het boek vergezelt.

Voor de volgende aanvulling bij de losbladige Wegwijzer voor bibliotheken en documentatiecentra schreef ikzelf een uitgebreide bijdrage over tagging.

Deskresearch

15/09/08

Deskresearch: informatie selecteren, beoordelen en verwerken

Deskresearch: informatie selecteren, beoordelen en verwerken van Kees Westerkamp en Maarten van Veen, behoort tot het weinige dat in het Nederlandse taalgebied over informatiewetenschap verschijnt. Ik heb het bijgevolg snel snel aangeschaft. Jammer genoeg blijken ook de auteurs en/of redacteurs vrij haastig te werk gegaan, want het boek bevat storend veel tik-, taal- en spelfouten.

Deskresearch is bedoeld voor studenten in het domein van management en economie, en dit op een toegepast wetenschappelijk niveau. Het is dan ook een echt handboek, met telkens een formulering van de leerdoelen, met praktijkvoorbeelden, met vragen en opdrachten op het einde van elk hoofdstuk.

De zes hoofdstukken zijn gebaseerd op het Amerikaanse Big Six stappenplan (Eisenberg & Berkowitz, 1990) voor het zoeken naar en beoordelen en verwerken van informatie, maar dan aangepast aan de huidige online wereld.
De inleiding bespreekt kort de benodigde vaardigheden voor deskresearch.
Daarna behandelt Stap 1 het formuleren van een goede zoekvraag met aandacht voor mindmapping als hulpmiddel.
Stap 2 gaat in op enkele basistechnieken om informatie te zoeken (Booleaanse operatoren!) en geeft een longlist van geschikte informatiebronnen (Google!).
In Stap 3 wordt die longlist tot een shortlist teruggebracht, met voor elke bron een zeer uitgebreide beschrijving. In die zin kan Deskresearch zeker een geschikt naslagwerk genoemd worden. De meeste van de besproken zoekmachines en databanken zijn evenwel uitsluitend toegespitst op Nederland (o.a. PiCarta, MD Info, Centraal Bureau voor de Statistiek Statline, Handelsregister van de Kamer van Koophandel). Dit maakt het overzicht niet bijster interessant voor de Vlaamse deskresearcher, tenzij die net een goed beeld wil krijgen van het Nederlandse informatielandschap.
Vervolgens bekijkt Stap 4 hoe informatie gebruikt en beoordeeld wordt: hoe maak je goede aantekeningen, aan welke eisen moet een samenvatting voldoen, hoe voorkom je plagiaat, wat zijn de formele en inhoudelijke criteria om de kwaliteit van informatie in te schatten?
Stap 5 omvat dan het verwerken van informatie: hoe maak je een literatuurlijst en correcte verwijzingen?
In Stap 6 (Wat is de kwaliteit van je rapportage?) worden de voorgaande stappen herhaald aan de hand van een concreet door studenten uitgevoerd deskresearchproject. Hen werd gevraagd een huisstijl voor een bedrijf te ontwikkelen. Daartoe rapporteerden ze eerst over hun branche-analyse en daarna over hun bedrijfsanalyse.

Deskresearch mikt op het verwerven van technische, inhoudelijke en methodische vaardigen, competenties zo je wil, voor het zoeken, beoordelen en verwerken van informatie.
Bijzonder is daarbij de aandacht voor overheidsgerelateerde informatie alsook voor bedrijfs- en marktinformatie. Het boek is geschreven met een deskresearcher in het hoofd die werkt voor een reclame- of marketingadviesbureau. Dat is voor een op Vlaamse leest geschoeide informatiewetenschapper zonder meer een verfrissende invalshoek.

Medical Librarian 2.0

27/06/08

Medical Librarian 2.0

Er zijn de afgelopen jaren een aantal boeken over bibliotheek 2.0 verschenen, maar wat opvalt, is dat die literatuur zich nu meer en meer specialiseert, ofwel is er een uitdieping naar deelaspect toe (bv. bloggen voor bibliotheken), ofwel is er een specialisering naar bibliotheektype (bv. bedrijfsbibliotheek 2.0).

Zoals de titel laat vermoeden, richt Medical Librarian 2.0, onder redactie van M. Sandra Wood (Pennsylvania State University), zich vooral op medische bibliotheken, maar ondanks die focus zijn de hoofdstukken evengoed leesbaar voor elke bibliothecaris, en zijn de aangereikte ideeën toepasbaar op verschillende soorten bibliotheken. Alle artikels zijn geschreven vanuit een Amerikaanse invalshoek, maar ook dat stoort niet.

Wat deze verzameling papers vooral interessant maakt, is de opzet ervan. Je krijgt telkens duidelijk afgebakende paragrafen als definitions, discussion, suggestions, call to action, dit alles menigmaal geïllustreerd met overzichtelijke tabellen. Bovendien zijn de literatuurlijsten zeer lang en voorzien sommige auteurs een literature review, wat het boek meteen ook geschikt maakt als naslagwerk.

Inhoudelijk valt vooral de diepgang van de artikels op. Enkele voorbeelden:

In het hoofdstuk over virtual reference services krijg je niet alleen een idee van wat instant messaging voor een bibliotheek kan betekenen, maar wordt ook gedetailleerd ingegaan op privacy policies.

De paper over RSS behandelt niet alleen het nut van RSS in het kader van current awareness en SDI, maar bespreekt ook alle mogelijke techniques & tools die bij RSS feeds komen kijken.

Het artikel over podcasting vertelt niet alleen wat het is, maar geeft ook uitleg over bestandsformaten, compressie, soft- en hardware, alsook over het catalogiseren en archiveren van podcasts.

Ook in het hoofdstuk over streaming video komen productie, catalografie en distributie uitgebreid aan bod.

Dezelfde uitdieping vind je in de paper over het content management system Drupal. Je krijgt daar informatie over de concrete implementatie en configuratie van het CMS programma.

Die specialisatie zit tot slot ook in het artikel over mashups, dat naast een toelichting bij het begrip, voorziet in enkele paragrafen over de creatie ervan.

Vanwege de alomtegenwoordige diepgang zou ik dit boek dan ook niet aanraden aan wie op zoek is naar een eerste kennismaking met bibliotheek 2.0, maar voor wie zich in de materie verder wil verdiepen, is het een absolute aanrader.

De wereld bestaat uit mannetjes en vrouwtjes

14/03/08

Nu we toch over ordenen bezig zijn, ik heb enkele maanden geleden ook een essay gescheurd uit het themanummer La Garçonne van La Vie en Rose (oktober/november 2007):

“Labels als man en vrouw zijn nodig om grip te houden op de wereld. Blijkbaar begrijpen we de wereld het beste als we die indelen in termen van sekse.
Want wat doe je als je in een warenhuis niet automatisch door kunt lopen naar de heren- of damesafdeling? En plas je op het heren- of damestoilet? Is niet de gehele medische wetenschap gebaseerd op het onderscheid tussen man en vrouw?” (Elsbeth Vernout, p. 42)

Even kijken naar de classificatiesystemen die in de bibliotheekwereld gebruikt worden, bijvoorbeeld het Vlaamse SISO. Ja hoor, ook daar dienen de seksen om rubrieken onder te verdelen:

308.11 Sociologie van de man
308.12 Sociologie van de vrouw

315.1 Vrouwenemancipatie; algemeen
315.2 Vrouwenemancipatie; België
[315.3] Vrouwenemancipatie; overige landen
315.4 Mannenemancipatie

418.11 Psychologie van de man
418.12 Psychologie van de vrouw

788.562 Mannenkoor
788.563 Vrouwenkoor

Belangrijke vaststelling: de man wordt telkens eerst vermeld, tenzij bij emancipatie, daar gaan de vrouwen in drievoud de mannen vooraf!

Maar met de vier bovenstaande voorbeelden hebben we het dan ook gehad, nergens anders wordt verder naar sekse ingedeeld en als er nog eens sprake is van de geslachten, dan worden ze samen vermeld, zoals in 318.4 Man en vrouw in het arbeidsproces (mannen weer eerst).

Het Vlaamse SISO is dus vrij unisex!

De Digitale Bibliotheek is here to stay

18/02/08

Op het NVB Jaarcongres verzuchtte men meermaals dat er over bibliotheekwetenschap zeer weinig in het Nederlands gepubliceerd wordt.
De Digitale Bibliotheek, onder redactie van Bart van der Meij en Kees Westerkamp in 2007 uitgegeven, behandelt in negen hoofdstukken de veranderingen die het digitale tijdperk in speciale bibliotheken heeft teweeggebracht. De beperking tot bibliotheken binnen bedrijven en non-profit organisaties is een slimme keuze, want zo krijgen de artikels als vanzelf een bepaalde diepgang.
Hoofdstuk 1, Op schoot bij de eindgebruiker, omvat een soort SWOT-analyse van de digitale bibliotheek en is een goede introductie tot het thema. De andere hoofdstukken, telkens voorzien van een uitvoerige literatuurlijst, laten zich makkelijk in willekeurige volgorde lezen en behandelen deelonderwerpen als de toegankelijkheid van de digitale bibliotheek, het opstellen van een contentplan, de waardebepaling van een digitale bibliotheek, de informatievaardigheden van de gebruiker en de competenties van de digitale bibliothecaris.
Mijn drie favoriete artikels zijn echter nr. 4 De bouwstenen van de digitale bibliotheek, nr. 5 Juridische aspecten van informatie en in het bijzonder nr. 9 Library 2.0: een netwerkbeschouwing.
Centrale gedachte in hoofdstuk 4 is de evolutie van collectie naar connectie: het elders toegankelijk maken van aan de eigen collectie gerelateerde informatie. Daartoe worden doorheen de tekst allerlei datamodellen, uitwisselingsstandaarden, documentformaten en protocollen toegelicht. Dat is taaie materie, maar voor iedereen verstaanbaar gemaakt.
Bijdrage nr. 5 over de juridische aspecten van de digitale bibliotheek geeft een duidelijk overzicht van wat auteursrechten behelzen en een boeiende conclusie: als uitgevers gezamenlijk een internetportaal opzetten, zouden bibliotheken overbodig kunnen worden, maar bibliotheken kunnen dan wel nog een openbaarmakingsportaal zijn voor auteurs die hun werk beter willen verspreiden.
In hoofdstuk 9 krijg je uitleg bij de nieuwe businessmodellen die ontstaan door de democratisering van productie en distributie, alsook een visie op Special Library 2.0 in de vorm van een aantal interessante overwegingen bij de drie actoren: kenniswerkers, informatiespecialisten en uitgevers. De roep op meer ruimte voor persoonlijk kennismanagement en individuele creativiteit is hierbij een genot om lezen.
Ook al is de teneur van alle bijdragen dat de informatiefunctie van een bibliotheek geen toekomst heeft zonder digitale dienstverlening, de uitgave is een must-read voor zowel believers als non-believers, want – om het met de woorden van het boek te zeggen – wie gelooft in het concept van de digitale bibliotheek, gelooft ook in de toekomst van de bibliothecaris. Of zoals het in het nawoord wordt geformuleerd: “De digitale bibliotheek is here to stay.” Zo zal ook deze frisse bloemlezing – totdat gedateerdheid optreedt – als naslagwerk op mijn leeslijst blijven staan.

Leesvoer voor fakers

31/08/07

Door het in vorige post over nepboeken te hebben, toevallig ontdekt dat het een booming business is.
Op Marktplaats.nl vraagt meer dan een iemand wie zulke boeken aan een leuk prijsje wil verkopen.
In het Engels heten ze dummies en ik denk dat de Prinsen van Beloeil misschien wel zijn langsgeweest bij The Dummy Book Company of bij The Manor Bindery, ‘makers of the finest false books’.

nepboeken
Bron: http://www.dummybook.com/

Ik moet even nuanceren, want je mag nepboeken, sierboeken en boeksimulanten niet over dezelfde kam scheren.
Een nepboek, dat is dus zo’n IKEA exemplaar.
Een sierboek daarentegen, is gemaakt van een echt boek, bladzijden aaneenlijmen, laagje vernis of porselein erop, wat knip- en plakwerk, nog wat prepareren en beschilderen, standaard eronder en klaar is je ‘uniek en persoonlijk’ cadeau voor huwelijk, verjaardag of geboorte.

sierboek
Bron: http://www.e-beebie.nl/

Boeksimulanten zijn weer heel wat anders: voorwerpen in de vorm van een boek maar die niet gelezen kunnen worden.
Hier een exemplaar uit de 2400 objecten tellende verzameling van bibliothecaresse Marianne Plasmans:

boeksimulant
Bron: http://www.gelderlander.nl/

Boeken die geen boeken zijn, boeksimulanten, sier- en nepboeken, zowaar drie lemma’s die in Wikipedia nog geen definitie kregen!

Bestaan er ook 2.0 nepdingen?
O ja, je hoeft maar een ‘r’ achter een zelfstandig naamwoord te zetten en het lijkt alvast 2.0.
Zo is er nu ook Bibliotheekr.org, de NIET-fake biblioblog van Johan Mijs.
Indertijd had je ook de discussie rond true sharing versus fake sharing met YouTube als voorbeeld van een fake sharing site.
En verder heb ik hard gelachen met How to fake a Web 2.0 logo?

Fake can be fun.

Bibliotheekspelletjes

6/07/07

Dit is zonder twijfel de post waaraan ik het langst ‘gewerkt’ heb.
Zoveel (Shockwave, Flash, JavaScript en Java) bibliotheekspelletjes bestaan er niet, maar toch genoeg om me een tijdje zoet te houden.

Een resem library skills games vind je bij St. Joseph School Library, maar erg boeiend zijn deze spelletjes niet, ‘t zijn meer kwisjes of hooguit galgje-achtige puzzels.

Meer geanimeerd zijn:

Book Pedaler: “Deliver the books as fast as you can!”

ActionMatch: “Find the matching pairs of Deweys!”

Alphabet Library: “Put the library books away in alphabetical order.”

Flood!: “The library has sprung a leak! Books are floating everywhere! Get them back onto the right shelves!”

Maar top of the bill is The Goodhue Codex van The Los Angeles Public Library, een adventure game met een goed verhaal.

Bedoeling is dat je de geest van bibliotheekarchitect Bertram G. Goodhue uit het gebouw bevrijdt. Daarvoor moet je voorwerpen zoeken (het verloren pasje van een slordige bibliotheekmedewerker), de sms-jes op je GSM lezen (Goodhue 1869-1924 spreekt vloeiend turbotaal), de kaartcatalogus raadplegen, het onderhoudspersoneel in het magazijn ontwijken, archiefkasten verrijden, het onzichtbare boek raadplegen, …

Er zitten ook enkele spelletjes-in-het spel in, metagames zeg maar: BookSort (boeken chronologisch rangschikken), RoboLibrarian (van de kar gevallen boeken oppikken) en Art MatchUp (kunst uit de LAPL herkennen).

De Commissaresse zou de Commissaresse niet zijn, als ze het spel niet in één handomdraai en één ruk ontcijferd en ontraadseld had, maar het is een aanrader, absoluut.

Kent iemand meer van dit?


Bad Behavior has blocked 1341 access attempts in the last 7 days.