Sporen door 'bronnenonderzoek' ontdekt

The Accidental Taxonomist

9/08/11

The Accidental Taxonomist Uitgever Information Today, Inc. (ITI) blijft me verbazen. ITI beperkt zich van oudsher tot publicaties over de bibliotheek-, documentatie- en informatiesector. Deze keer wordt met The Accidental Taxonomist wel een heel beperkt segment aangesproken: de beroepsgroep van de ‘taxonomisten’. Heel wat professionals raken bij toeval verzeild in de wereld der taxonomieën, zo stelt auteur Heather Hedden. Voor hen diende dit boek geschreven en is de titel gekozen. Heather Hedden is zelf het prototype van een selfmade taxonomist. Ze runt haar eigen bedrijfje Hedden Information Management, is freelance indexeerder en werkte onder contract bij diverse informatieleveranciers en uitgevers. Daarnaast is ze door haar activiteiten binnen internationale organisaties (American Society for Indexing (ASI), Indexing Society of Canada, Society of Indexers UK & Nederland) bijzonder goed geplaatst om rond dit onderwerp te schrijven. Dat merk je als lezer meteen.

The Accidental Taxonomist is een droog boek. Filosofische beschouwingen over de impact van ordeningen zul je er bijvoorbeeld niet in vinden. Ondanks het feit dat er tussen de regels weinig geestigheden te bespeuren vallen, heb ik dit boek met plezier gelezen. Niet omdat het me veel heeft bijgeleerd over termen, relaties, pre- en postcoördinatie, software, interoperabiliteit, interface design, XML-gebaseerde formaten, … Die onderwerpen komen al uitgebreid aan bod in andere publicaties zoals het in 2010 bij NBD|Biblion verschenen Organiseer je informatie en in internationale regelwerken (ISO, ANSI/NISO). Het dient vermeld dat de theorievorming rond taxonomieën uitgebreid aan bod komt. Alleen staat het allemaal nogal kriskras door elkaar, niet in het minst omdat Heather Hedden ambieert om in haar boek alle soorten taxonomieën te bespreken: hiërarchische classificaties, synoniemenringen, authority bestanden, thesauri, meertalige taxonomieën, navigatiestructuren, facetsystemen, folksonomies, automatische indexsystemen, ontologieën, enz. Deze opeenstapeling van verschillende methoden om informatie toegankelijk te maken, maakt de tekst bij tijden vrij moeilijk om volgen. Een Taxonomies for dummies kun je dit boek dan ook bezwaarlijk noemen. Daarvoor mist het hier en daar structuur en een stap-voor-stap opbouw. Wie dit boek van voren naar achteren wil lezen, zal er een hele kluif aan hebben. Al moet gezegd dat Heather Hedden nooit te technisch wordt en er altijd in slaagt de materie eenvoudig en precies uit te leggen. Haar achtergrond als offline en online lesgever is daarbij duidelijk voelbaar. Bovendien heeft Heather Hedden zich geen enkele moeite bespaard om haar bevindingen te staven. Behalve op een uitgebreide literatuurstudie, baseert ze haar beweringen op enquêtes onder taxonomisten, e-mailconversaties met mensen uit het vak, en deelname aan discussiegroepen.

Bijzonder interessant zijn de hoofdstukken rond projectmanagement en het beroep an sich.
Het laat je het beroep van alle kanten bekijken. Hoe je met taxonomieën je brood kan verdienen. Hoe je jezelf als taxonomist verder kan professionaliseren. Waar je kunt netwerken. Wel dient hierbij opgemerkt dat Heather Hedden schrijft vanuit de situatie in de Verenigde Staten, met zijn bloeiende cultuur van consultants en freelancers.

De grootste verdienste van het boek is dat het doet nadenken over het vak. Het laat je dromen over hoe een job als taxonomist er uit kan zien. “The fact of the matter is that taxonomists often move around from one industry to another, between products and services, between profit-making and nonprofit enterprises, which certainly contributes to interesting careers.” Clichés worden daarbij zorgvuldig uit de weg geruimd. Zo hoeft volgens Heather Hedden een taxonomist niet per se kennis te hebben van het domein waarin hij werkt: “Only some fields, such as medical, pharmaceutical, and scientific/technical publishers, require subject matter expertise.” Ze schetst alleszins een boeiend beeld van het beroep. “Taxonomists enjoy their work for two main reasons: They get to organize, and they get to learn.” Langs de andere kant zwijgt ze niet over de mogelijke frustraties van de job: “lack of understanding”. Leuke quotes aan het begin van elk hoofdstuk dragen bij tot haar immer enthousiaste toon: “Taxonomists: Classy people”.
The Accidental Taxonomist: Classy book! Niet voor de absolute beginner. Wel voor wie de ambitie koestert om als een beter geïnformeerde taxonomist aan de slag te gaan.

Search User Interfaces

18/08/10

Search User InterfacesMet Search User Interfaces ambieert Marti Hearst, professor aan de University of California (Berkeley), een alomvattend overzicht van de belangrijkste bevindingen op het gebied van user interface design. Tot haar doelpubliek behoren zowel designers, studenten, docenten als onderzoekers die zich verdiepen in zoekmachines voor het web.

De auteur slaagt glansrijk in haar opzet. Van meer dan 600 referenties weet ze in helder Engels de kerngedachte te vatten. Dit werk klap je dan ook toe met het tevreden gevoel van weer met de zaken mee te zijn.

In een eerste hoofdstuk geeft Marti Hearst de lezer alvast een lijst mee van best practices en te vermijden valkuilen. Nadat ze vervolgens de theoretische modellen schetst over hoe mensen informatie zoeken, volgen er drie hoofdstukken die elk apart een fase in het zoekproces nader belichten: het initiële specificeren van de zoekvraag, het bekijken van de zoekresultaten en het eventuele herformuleren van de oorspronkelijke zoekvraag. Daarbij licht ze verscheidene technieken toe zoals spellingscorrectie, suggesties ter verbreding of verfijning van de zoekvraag en feedback mechanismes.

Ietwat ten onrechte geeft de auteur aan dat de laatste hoofdstukken van het boek bestemd zijn voor de lezer met een meer gespecialiseerde interesse, want het zijn net onderwerpen als mobiel zoeken, zoeken naar multimedia, social search en zoeken in natuurlijke taal, die vandaag belangrijke aandachtspunten vormen.

Bijzonder interessant zijn de talloze gebruikersonderzoeken die Marti Hearst aanhaalt. Aan de hand daarvan slaagt ze erin een aantal ontwikkelingen op overtuigende wijze te relativeren. Zo blijken de meeste pogingen om de ordening van zoekresultaten te personaliseren – door expliciet aangegeven gebruikersvoorkeuren of door het impliciet loggen en monitoren van zoekactiviteiten – weinig zoden aan de dijk te brengen. Hetzelfde kan gezegd over het inzetten van visualisaties – bijvoorbeeld woordenwolken – bij het zoekproces. Die bieden doorgaans weinig hulp, als ze het zoeken al niet vertragen of negatief beïnvloeden.

Het dient vermeld dat dit boek ook voor het bibliotheekwezen een grote waarde heeft. De auteur legt de klemtoon dan wel op zoekmachines voor het web, ook het zoeken in andere informatiecollecties – waaronder bibliografische – komt geregeld aan bod. Bovendien is er in de bibliotheekwereld meer dan ooit aandacht voor full-text zoeken en het gebruiksvriendelijk presenteren van zoekresultaten. Daarnaast is een volledig hoofdstuk gewijd aan de klassieke oppositie direct search versus browse, waarbij uitgebreid wordt ingegaan op het gebruik van facetten, clusters en/of categorieën bij de organisatie van het zoekproces.

Wie dat wil, kan via de website http://searchuserinterfaces.com het boek volledig online lezen.

Library mashups

28/07/10

Mashups zijn webapplicaties die de inhoud van twee of meer bronnen samenbrengen tot één nieuwe, originele toepassing. Slim gebruikt kunnen ze bibliotheekwebsites en -catalogi meer dynamiek, een grotere zichtbaarheid en betere functionaliteit geven. Populaire mashups maken gebruik van kaarten – denk aan Google Maps – of remixen foto’s, video’s, RSS feeds, enz.

In Library mashups laat Nicole C. Engard een schare gerenommeerde early adopters aan het woord. Jenny Levine, Darlene Fichter, Tim Spalding, John Blyberg, Karen A. Coombs, Joshua Ferraro en vele anderen implementeerden voor hun bibliotheken of organisaties jaren geleden al een of meerdere mashups. In hun getuigenissen proberen ze de lezer vooral te overtuigen van het gemak om met mashups aan de slag te gaan. Er vallen grootse dingen te verwezenlijken, ook zonder veel tijd, budget en personeel.

Toch is het boek in zijn geheel beschouwd veeleer iets voor de gevorderde: behoorlijk wat bijdragen baden in terminologie en technische details.
Na het lezen van dit werk zullen begrippen als API, web service, REST, SOAP, AJAX, microformats, RDF, linked data, JSON, SOPAC en SRU geen geheimen meer hebben. Ook geeft het een heldere kijk op een aantal inspirerende projecten zoals biblios.net Web Services, WorldCat Affiliate Services, The Repository Mashup Map en The LibraryThing API.

Let wel, dit is niet iets voor een strandvakantie. De hoofdstukken dienen bij voorkeur geconsumeerd achter een rustig bureau met een computer erop. Door de vele schermafbeeldingen en kopieerklare codefragmenten die in het boek te vinden zijn, leent het zich bij uitstek tot onmiddellijk uitproberen. Zo overtuigt het onder meer om meteen met de mashup editor Yahoo! Pipes aan de slag te gaan. Voor de creatie van mashups geldt immers dat men al doende leert.

Uiteraard bestaan mashups enkel bij de gratie van sites die hun data publiek beschikbaar stellen. Bijzonder interessant is dan ook de aandacht voor concepten als open source en open access. Als de bibliotheek bijvoorbeeld kiest voor een open catalogus in plaats van informatie die in commerciële bibliotheeksoftware opgesloten zit, dan wordt ook zij een leverancier van open data. Mashups hoeven dus zeker geen eenrichtingsverkeer te zijn: bibliotheken kunnen externe data incorporeren ter verbetering van hun diensten, maar tegelijk ook hun lokale data openstellen voor hergebruik. Zo onderschrijft de bibliotheek op een moderne manier het beginsel van vrije toegang tot informatie.

Begin klein, eindig groot, dat is het advies van menig auteur in dit boek. Zo benader je ook best de lectuur van deze tekst: overwin je drempelvrees, laat je niet overdonderen door de terminologie, ontdek dat de weg tussen jezelf en degenen die al mashups implementeerden niet onoverbrugbaar is, herlees indien nodig.
Kijk alvast eens naar de website: mashups.web2learning.net.

Planeet Google

19/08/09

Bij het begin van de zomer maakte Google bekend dat het werkt aan een eigen besturingssysteem, Google Chrome OS. Dit nieuws had gemakkelijk stof kunnen bieden voor een extra hoofdstuk in Randall Stross’ boek over Planeet Google.

Stross, hoogleraar economie aan de San Jose State University, heeft jarenlang onderzocht hoe één bedrijf alle kennis wil managen. Zijn verslag leest als een trein en geeft een diepgaand inzicht in de filosofie en interne cultuur van Google. Zijn toon is daarbij allesbehalve moraliserend. Dit zou eventueel als een gebrek aan kritisch geluid kunnen worden opgevat, maar biedt de lezer vooral ruimte om zelf tot conclusies te komen.

Bovendien wordt de opkomst van Google niet eenzijdig als een succesverhaal afgeschilderd. Naast de grote beslissingen stelt de auteur ook Googles blunders in het daglicht. Terwijl Google zich halsstarrig bleef richten op het emotieloze algoritme, hadden bedrijven als Yahoo immers al lang begrepen hoe belangrijk virtuele internetgemeenschappen voor veel mensen zijn.

Het boek handelt dus niet alleen over Google. Naast voor de hand liggende vergelijkingen met Yahoo, Microsoft, Facebook, Wikipedia, … worden ook specifieke initiatieven ten opzichte van hun belangrijkste tegenhangers geplaatst: Google Translate versus SYSTRAN, Google Book Search versus Amazon Search Inside This Book, Google Video versus Apple iTunes, … Zo krijg je meteen ook een breder beeld van die andere spelers op de markt.

Stross heeft in de loop der jaren heel wat Googlers weten overhalen tot medewerking aan zijn boek. Ze maakten tijd vrij voor interviews, namen hem mee naar verkooppresentaties en lieten hem op de campus meeluisteren naar managerpraatjes. Wie in het boek op zoek is naar onthulling van bedrijfsgeheimen, zal echter van een teleurstellende reis terugkeren. Wel kom je te weten waarom het Google Docs & Spreadsheets is en niet Google Office, wat het verband is tussen centrale dataopslag en elektriciteitscentrales, waarom YouTube voor Google een avontuurlijke anomalie betekent, …

Vanwege de brandend actuele inhoud raad ik de geïnteresseerden aan om dit aanstekelijke boek zo snel als mogelijk te lezen!

Krabbel of babbel

9/08/09

ZB Digitaal maakte onlangs de staat van de biblioblogosfeer der Lage Landen op. Hij komt daarbij tot de conclusie dat anno 2009 op veel blogs nog slechts incidenteel updates verschijnen. Daarbij vraagt hij zich af of er sprake is van blogmoeheid (1), of men is overgestapt naar Twitter (2), of men het te druk heeft met andere dingen (3), of men geen heil meer ziet in weblogs als platform (4).

Voor mezelf gelden antwoord (3) en (4), maar als je er het laatste hoofdstuk van Alex Wright’s Glut op naleest, ligt de algemene oorzaak waarschijnlijk veeleer bij (1) en (2).

“As more and more people get online, their interactions feel increasingly like a vast, far-flung conversation. Ultimately the Internet’s popularity may have less to do with a renewed public love of reading and writing than with our deep-seated need to talk.”

Verder: “The Web is a place to talk.”

Als babbelen, zoals Wright zegt, in de aard van het beestje zit, dan lijkt het inderdaad plausibel dat de meeste mensen ook op het Web liever ‘babbelen’ dan schrijven/lezen.
Wie graag een eindje wegkletst, zal bloggen (in volzinnen) sneller moe zijn en zich waarschijnlijk met plezier bekeren tot toepassingen als Facebooks prikbord. Ik ken ook een aantal spraakwaters die nooit geblogd hebben en nu heel actief zijn op Twitter. Een vriendin, een praatlustig type, heeft pas vorig jaar voor het eerst een computer aangezet, maar is ondertussen niet meer van chat en Facebook weg te slaan.

De eerste 200 bladzijden van Glut zijn geschiedenislessen die snel uit mijn geheugen zullen verdwijnen, maar het laatste hoofdstuk houdt me bezig.

De laatste maanden voel ik een zeker onbehagen, iets in de trant van: “Web 2.0 is een boeiend gegeven, maar voor chat, Twitter en Facebook kan ik privé maar moeilijk warmlopen.” Ik zie vrienden vrolijk online chitchatten, elkaar goede vakanties wensen, elkaar uitnodigen voor quizjes, elkaar voorzien van faits divers. Ik doe dat zelden. Vraag me vervolgens af of ik wel een attente vriendin ben en of ik online toch niet wat spraakzamer moet zijn. Waarom kan ik me er moeilijk toe brengen om online met familie, vrienden of oude bekenden een babbeltje te slaan? Iemand even goeiedag zeggen kost weinig tijd of moeite.

Doordenkend op het laatste hoofdstuk van Glut vond ik het antwoord.
Ik ben geen babbelkous. Nooit geweest, offline niet en dus logischerwijs ook online niet. Nu het Web meer en meer ‘a place to talk’ wordt, voor Wright een logisch gevolg van de allesoverheersende mondelinge traditie (bekijk de gehele wereldgeschiedenis en je ziet hoe relatief het belang van geschreven tekst is), lijkt het niet vreemd dat de ‘schrijvers’ en ‘lezers’ onder ons zich daar wat onwennig, zo je wil ongelukkig, bij voelen.
Ik denk aan een column van Dimitri Verhulst over de verschrikkingen van sociale netwerksites (smoelboek) en Skype. Wat blijkt, hij vindt kletsen/chatten maar niets, houdt niet van klasreünies, telefoneert niet graag.

Dimitri Verhulst is een schrijver, ik ben ‘schriftelijk’ en een vriend van me is ook veeleer ‘lezerig’. Die chat niet, sms’t zelden en ondanks een profiel op Facebook doet hij nooit status updates. Als wij elkaar mailen, zijn dat meteen enkele A4-pagina’s, in schrijftaal.

Alex Wright heeft het er niet over, maar ondanks een instinctieve voorbestemdheid tot het gesproken woord is er vast een grote minderheid die zich – door opvoeding of omgeving, bv. stille ouders? – beter voelt bij het rustig neerpennen of lezen van volzinnen. Uit de niet altijd zo gesmaakte ‘babbel’zaken onder de 23 Dingen meen ik trouwens te mogen afleiden dat menig bibliotheekmedewerker de symptomen van Dimitri Verhulst vertoont.

Over ontologieën

29/01/09

Tegenwoordig is web 2.0 in de bibliotheekwereld een ingeburgerd begrip. Er dient zich echter al een volgende fase aan in de ontwikkeling van het www: het semantische web of web 3.0.

Over deze volgende versie van het web gaat Finding the concept, not just the word: a librarian’s guide to ontologies and semantics.

Brandy King en Kathy Reinold doen hierbij nauwelijks of geen uitspraken over de toekomst van de bibliotheek. Veeleer dan beschouwingen geven ze de bibliothecaris een concrete technische uitleg. Ontologieën bevinden zich immers op de kruising van taalkunde en technologie. Voor wie al bekend is met classificaties en thesauri, zal dit evenwel vertrouwd overkomen. Kort gezegd gaat het bij een ontologie over een verzameling van concepten en de relaties daartussen, bedoeld om de computer binnen een bepaald kennisgebied de betekenis achter natuurlijke taal te laten begrijpen.

Eerst leggen de auteurs het verschil uit tussen een Booleaanse en een semantische zoekvraag. Daarbij komen begrippen ter sprake als natural language processing, parsers, precisie en vangst.

Vervolgens leer je aan de hand van een duidelijk voorbeeld hoe een ontologie in negen stappen kan worden opgebouwd.

Daarna volgt het verslag van vier boeiende case studies. MINDSWAP’s Profiles in Terror project spreekt daarbij het meest tot de verbeelding: doordat ontologieën verbanden tussen informatie zichtbaar maken, kunnen ze helpen in de strijd tegen het terrorisme.

Verderop in het boek komen enkele meer geavanceerde onderwerpen aan bod. Zo krijg je een overzicht en onderlinge vergelijking van de talen waarin ontologieën kunnen worden uitgedrukt: XML, RDF, OWL en SKOS. Ook wordt de nodige aandacht besteed aan software om ontologieën te creëren, visualiseren en beheren.

Tot slot hebben King en Reinold het over de rol van de bibliothecaris met betrekking tot het semantische web. In de toekomst zal hij niet langer de intermediair zijn die de vraag van de gebruiker vertaalt naar de zoekmachine, maar moet hij de zoekmachines mee helpen betekenis geven, zodat gebruikers zelf hun vragen kunnen stellen in hun eigen natuurlijke taal. Een bibliothecaris is volgens de auteurs immers perfect geplaatst om termen te categoriseren en relaties te definiëren.

Hiermee wordt afgeweken van het web 2.0 gedachtegoed: ontologieën zijn niet het domein van de gebruikers of het ‘volk’, maar worden gebouwd door experten die bepalen wat de meest belangrijke concepten en relaties binnen een bepaald interessegebied zijn.

Is ontologieën creëren werkelijk de toekomstige taak van de bibliothecaris? Gezien de tijd, mankracht en gelden die de verwezenlijking van het semantische web vraagt, lijkt deze visie me wat kort door de bocht.
Maar, ook al ontbreekt enige nuancering ten aanzien van andere methodes van informatieontsluiting, dit is zonder meer een zeer verhelderend boek over het wat en hoe van ontologieën.

Tagging

29/09/08

Sinds de openbare bibliotheek van Amsterdam vanaf maart 2008 haar gebruikers toelaat om eigen trefwoorden toe te voegen, is tagging in Nederland en Vlaanderen een hot topic.
In 2008 verscheen ook het eerste echte Engelstalige boek over tags.

Tagging

Tagging: People-Powered Metadata for the Social Web van Gene Smith heeft als doel uit te leggen wat tagging is en wil in de eerste plaats een hulp zijn bij het ontwerpen van tagging systemen. In die zin richt het zich tot webdesigners en informatiearchitecten die een tagging systeem wensen te implementeren, maar ondanks die gespecialiseerde doelgroep is Tagging ook voor niet-techneuten licht verteerbaar.

Zeker de eerste vier hoofdstukken, het boek gaat van meer algemene naar meer specifieke onderwerpen, zijn voor álle informatiewerkers makkelijk leesbaar. Bovendien komen daarin het belang en de waarde van tagging aan bod, zowel voor gebruikers als voor ontwikkelaars, alsook een vergelijking van tags als metadata tegenover andere vormen van ontsluiting. Zonder vooringenomenheid beschrijft Gene Smith de spanning tussen de verschillende systemen en somt hij de pro’s en contra’s van tagging op. Voor elk van de aangehaalde valkuilen biedt hij gepaste oplossingen aan.
Hoofdstuk 5 tot en met 7 behandelen de meer technische aspecten zoals navigatie via tags, visualisatie van tags, datamodellen en scripts.
Beslist het lezen waard zijn de drie case studies in bijlage: Social Bookmarking (Del.icio.us), Media Sharing (YouTube, Flickr, Facebook, SlideShare) en Personal Information Management (Microsoft’s Photo Gallery, BlueOrganizer).

Dit alles is gegoten in een overzichtelijke lay-out, rijkelijk geïllustreerd en geschreven in een rechttoe rechtaan Engels. Een aanrader!

Er is ook een website die het boek vergezelt.

Voor de volgende aanvulling bij de losbladige Wegwijzer voor bibliotheken en documentatiecentra schreef ikzelf een uitgebreide bijdrage over tagging.

Deskresearch

15/09/08

Deskresearch: informatie selecteren, beoordelen en verwerken

Deskresearch: informatie selecteren, beoordelen en verwerken van Kees Westerkamp en Maarten van Veen, behoort tot het weinige dat in het Nederlandse taalgebied over informatiewetenschap verschijnt. Ik heb het bijgevolg snel snel aangeschaft. Jammer genoeg blijken ook de auteurs en/of redacteurs vrij haastig te werk gegaan, want het boek bevat storend veel tik-, taal- en spelfouten.

Deskresearch is bedoeld voor studenten in het domein van management en economie, en dit op een toegepast wetenschappelijk niveau. Het is dan ook een echt handboek, met telkens een formulering van de leerdoelen, met praktijkvoorbeelden, met vragen en opdrachten op het einde van elk hoofdstuk.

De zes hoofdstukken zijn gebaseerd op het Amerikaanse Big Six stappenplan (Eisenberg & Berkowitz, 1990) voor het zoeken naar en beoordelen en verwerken van informatie, maar dan aangepast aan de huidige online wereld.
De inleiding bespreekt kort de benodigde vaardigheden voor deskresearch.
Daarna behandelt Stap 1 het formuleren van een goede zoekvraag met aandacht voor mindmapping als hulpmiddel.
Stap 2 gaat in op enkele basistechnieken om informatie te zoeken (Booleaanse operatoren!) en geeft een longlist van geschikte informatiebronnen (Google!).
In Stap 3 wordt die longlist tot een shortlist teruggebracht, met voor elke bron een zeer uitgebreide beschrijving. In die zin kan Deskresearch zeker een geschikt naslagwerk genoemd worden. De meeste van de besproken zoekmachines en databanken zijn evenwel uitsluitend toegespitst op Nederland (o.a. PiCarta, MD Info, Centraal Bureau voor de Statistiek Statline, Handelsregister van de Kamer van Koophandel). Dit maakt het overzicht niet bijster interessant voor de Vlaamse deskresearcher, tenzij die net een goed beeld wil krijgen van het Nederlandse informatielandschap.
Vervolgens bekijkt Stap 4 hoe informatie gebruikt en beoordeeld wordt: hoe maak je goede aantekeningen, aan welke eisen moet een samenvatting voldoen, hoe voorkom je plagiaat, wat zijn de formele en inhoudelijke criteria om de kwaliteit van informatie in te schatten?
Stap 5 omvat dan het verwerken van informatie: hoe maak je een literatuurlijst en correcte verwijzingen?
In Stap 6 (Wat is de kwaliteit van je rapportage?) worden de voorgaande stappen herhaald aan de hand van een concreet door studenten uitgevoerd deskresearchproject. Hen werd gevraagd een huisstijl voor een bedrijf te ontwikkelen. Daartoe rapporteerden ze eerst over hun branche-analyse en daarna over hun bedrijfsanalyse.

Deskresearch mikt op het verwerven van technische, inhoudelijke en methodische vaardigen, competenties zo je wil, voor het zoeken, beoordelen en verwerken van informatie.
Bijzonder is daarbij de aandacht voor overheidsgerelateerde informatie alsook voor bedrijfs- en marktinformatie. Het boek is geschreven met een deskresearcher in het hoofd die werkt voor een reclame- of marketingadviesbureau. Dat is voor een op Vlaamse leest geschoeide informatiewetenschapper zonder meer een verfrissende invalshoek.

Medical Librarian 2.0

27/06/08

Medical Librarian 2.0

Er zijn de afgelopen jaren een aantal boeken over bibliotheek 2.0 verschenen, maar wat opvalt, is dat die literatuur zich nu meer en meer specialiseert, ofwel is er een uitdieping naar deelaspect toe (bv. bloggen voor bibliotheken), ofwel is er een specialisering naar bibliotheektype (bv. bedrijfsbibliotheek 2.0).

Zoals de titel laat vermoeden, richt Medical Librarian 2.0, onder redactie van M. Sandra Wood (Pennsylvania State University), zich vooral op medische bibliotheken, maar ondanks die focus zijn de hoofdstukken evengoed leesbaar voor elke bibliothecaris, en zijn de aangereikte ideeën toepasbaar op verschillende soorten bibliotheken. Alle artikels zijn geschreven vanuit een Amerikaanse invalshoek, maar ook dat stoort niet.

Wat deze verzameling papers vooral interessant maakt, is de opzet ervan. Je krijgt telkens duidelijk afgebakende paragrafen als definitions, discussion, suggestions, call to action, dit alles menigmaal geïllustreerd met overzichtelijke tabellen. Bovendien zijn de literatuurlijsten zeer lang en voorzien sommige auteurs een literature review, wat het boek meteen ook geschikt maakt als naslagwerk.

Inhoudelijk valt vooral de diepgang van de artikels op. Enkele voorbeelden:

In het hoofdstuk over virtual reference services krijg je niet alleen een idee van wat instant messaging voor een bibliotheek kan betekenen, maar wordt ook gedetailleerd ingegaan op privacy policies.

De paper over RSS behandelt niet alleen het nut van RSS in het kader van current awareness en SDI, maar bespreekt ook alle mogelijke techniques & tools die bij RSS feeds komen kijken.

Het artikel over podcasting vertelt niet alleen wat het is, maar geeft ook uitleg over bestandsformaten, compressie, soft- en hardware, alsook over het catalogiseren en archiveren van podcasts.

Ook in het hoofdstuk over streaming video komen productie, catalografie en distributie uitgebreid aan bod.

Dezelfde uitdieping vind je in de paper over het content management system Drupal. Je krijgt daar informatie over de concrete implementatie en configuratie van het CMS programma.

Die specialisatie zit tot slot ook in het artikel over mashups, dat naast een toelichting bij het begrip, voorziet in enkele paragrafen over de creatie ervan.

Vanwege de alomtegenwoordige diepgang zou ik dit boek dan ook niet aanraden aan wie op zoek is naar een eerste kennismaking met bibliotheek 2.0, maar voor wie zich in de materie verder wil verdiepen, is het een absolute aanrader.

De wereld bestaat uit mannetjes en vrouwtjes

14/03/08

Nu we toch over ordenen bezig zijn, ik heb enkele maanden geleden ook een essay gescheurd uit het themanummer La Garçonne van La Vie en Rose (oktober/november 2007):

“Labels als man en vrouw zijn nodig om grip te houden op de wereld. Blijkbaar begrijpen we de wereld het beste als we die indelen in termen van sekse.
Want wat doe je als je in een warenhuis niet automatisch door kunt lopen naar de heren- of damesafdeling? En plas je op het heren- of damestoilet? Is niet de gehele medische wetenschap gebaseerd op het onderscheid tussen man en vrouw?” (Elsbeth Vernout, p. 42)

Even kijken naar de classificatiesystemen die in de bibliotheekwereld gebruikt worden, bijvoorbeeld het Vlaamse SISO. Ja hoor, ook daar dienen de seksen om rubrieken onder te verdelen:

308.11 Sociologie van de man
308.12 Sociologie van de vrouw

315.1 Vrouwenemancipatie; algemeen
315.2 Vrouwenemancipatie; België
[315.3] Vrouwenemancipatie; overige landen
315.4 Mannenemancipatie

418.11 Psychologie van de man
418.12 Psychologie van de vrouw

788.562 Mannenkoor
788.563 Vrouwenkoor

Belangrijke vaststelling: de man wordt telkens eerst vermeld, tenzij bij emancipatie, daar gaan de vrouwen in drievoud de mannen vooraf!

Maar met de vier bovenstaande voorbeelden hebben we het dan ook gehad, nergens anders wordt verder naar sekse ingedeeld en als er nog eens sprake is van de geslachten, dan worden ze samen vermeld, zoals in 318.4 Man en vrouw in het arbeidsproces (mannen weer eerst).

Het Vlaamse SISO is dus vrij unisex!