Resideerde ik ’s zomers doorgaans in de facultaire bibliotheken, tijdens het jaar werkte ik in de (centrale) universiteitsbibliotheek van Gent, beter bekend als de Boekentoren.
Begonnen als magazijnier, later verhuisd naar de grote leeszaal, daarna naar de bruikleenbalie en uiteindelijk naar catalografie.
Die jaren als magazijnier, dag in dag uit ging ik de toren op en neer in een eenpersoonslift, boven op zoek naar boeken die beneden werden aangevraagd. Minstens eenmaal per dag liftte ik tot de twintigste verdieping, de Belvedère, om daar wat naar de stad te kijken.
Ik was er alleen. Die Belvedère, op de duur was die van míj.
Behalve dan op 11 augustus 1999, de dag van de eclips, toen was het voltallige personeel er – via de grote lift – naartoe getrokken.
Soms moest ik niet de toren op, maar iets halen uit de krantenkelders. Na een tijdje kende ik hem, alle onder- en bovengrondse sluipwegen, als mijn broekzak, en ik had volledig vrij spel, want met chipkaart beveiligde deuren waren er toen nog niet.
Die oude Belvedère, die is voor mij ook ‘jeugd’. Ik was jong en verliefd, en ik dacht dat ik het object van mijn liefde zou kunnen verleiden als ik het meenam naar de Belvedère. Het werkte. Ik herinner me de duiven die er via de kapotte ramen waren binnen gevlogen. Ze fladderden tegen het plafond en daar waren we bang van. Die angst, het werkte. We waren ook bang in die grote haperende lift.
Allerbeste Boekentoren, toch heb ik niet op je gestemd bij de Monumentenstrijd. Weet je, ik werk nu ergens anders en ik woon dichtbij het Campo Santo in Sint-Amandsberg.
Maar ik wens je van harte een zeer voorspoedige restauratie en nog veel verliefde stelletjes die stiekem naar je bovenste verdieping trekken.