Sporen door 'observatie' ontdekt

Bibliotheek Vlaanderen

18/04/11

Onderstaande column verscheen in META nummer 2011/2.

Wist u dat, als bibliotheken ‘s avonds sluiten, ze veranderen in therapeutische centra? Zo volg ik in de gesloten bibliotheek van Deinze een behandeling voor mensen die willen schrijven. Op een avond moesten we iets neerpennen over eigenheid. Vanop mijn design zitbal keek ik in het rond: een psychedelisch plafond, rood eighties meubilair, een geplekte tapis-plain uit een tijd waarin roken nog mocht.

Wat bibliotheekinrichting betreft, kom je doorheen het Vlaamse land mooie staaltjes van eigenheid tegen. Het gebouw zet de bibliotheek op de kaart, zoals dat heet. Opent er ergens een nieuwe bibliotheek, dan gaat dit met veel ophef gepaard: een feest van een week, inclusief flashmob als het even kan, alles rijkelijk gedocumenteerd op Picasa en YouTube.

Zou achter dit uiterlijke vertoon een gemis kunnen schuilen? Onderstrepen bibliotheken hun eigenheid tegenwoordig via een gefacelifte façade, omdat hen verder geen autonomie meer rest? Anno 2011 hebben openbare bibliotheken hetzelfde logo van A tot Z, elk een catalogus bij de provincie, een gemeenschappelijke zoekomgeving, een gelijkaardige collectie via MedioEurope en allemaal een Facebook volgens eenzelfde inspiratiegids. Iedereen hanteert dezelfde instrumenten, verzameld op dezelfde studiedagen en elkeen luistert naar dezelfde tips, opgestoken tijdens dezelfde roadshows. Is het woord huisstijl stilaan een anachronisme? Wil een bibliotheek tegenwoordig opvallen, dan moet het wel met monumentale glaspartijen, ook al betekent dit dat het personeel ‘s zomers een bikini aan moet.

Er valt uiteraard wat voor gezamenlijkheid te zeggen. U weet iets niet? Centraal brengt raad. U heeft geen tijd? Centraal helpt u vooruit. Daarnaast heeft eigenheid een prijs, en met belastinggeld kunt u beter niet sollen. Eenheid maakt u transparant. Tenslotte is een bibliotheek voor de gebruiker een bibliotheek. Die ligt niet wakker van de allerindividueelste expressie van uw allerindividueelste emotie.

Niets tegen het idee van een Bibliotheek Vlaanderen, maar let toch op voor die identiteitscrisis. Voor u het weet, moet u na de werkuren ook in therapie. Koester uw verschijning. Wees trots op die design zitballen, het eigenzinnige kostuum van uw floorwalkers, de gekke poëzie op de muren van uw luisterlounge, en laat dat eigen unieke geplekte tapis-plain vooral liggen.

23 Dingen in Vlaanderen

8/07/09

Onderstaande tekst is in licht gewijzigde vorm gepubliceerd in Digitale Bibliotheek (nummer 3, 2009).

In dit artikel werp ik eerst een blik op de 23 Dingen initiatieven in de Vlaamse bibliotheekwereld. Daarna vertel ik als 23 Dingen coach over mijn ervaringen met de cursus aan de bibliotheekschool van Gent. Mijn bedenkingen bij het leerprogramma zijn grotendeels gebaseerd op de bevindingen van de deelnemers die ik verzameld heb via schriftelijke enquêtes en mondelinge bevragingen.

Op 23 januari 2009 lanceerde Bibnet, een projectorganisatie van de Vlaamse Overheid, de website 23dingen.be. Dit is een vertaling van het 23 Dingen leerprogramma naar Vlaanderen in samenwerking met de maker van de Nederlandse versie 23dingen.nl, Rob Coers.
Daarmee heeft het Vlaamse bibliotheekpersoneel nu ook een plek om volledig zelfstandig de 23 Dingen te doorlopen. Volgens Johan Mijs van Bibnet zijn inmiddels een 35-tal bibliotheekmedewerkers op deze manier met het programma gestart.
Daarnaast biedt 23dingen.be bibliotheken de mogelijkheid een eigen platform te openen, bijvoorbeeld 23dingen.be/bibsele, en zich bij het leerproces te laten begeleiden door een zelfstandig trainer. Voorlopig hebben volgens Johan Mijs van Bibnet echter nog geen bibliotheken voor deze formule gekozen.

De meeste Vlaamse bibliotheekmedewerkers opteerden tot dusver voor de Start to web 2.0 opleiding aan de bibliotheekschool van Gent. Sinds oktober 2008 hebben 65 bibliotheekmedewerkers, verdeeld over 4 groepen, zich voor deze bijscholing ingeschreven.
Voor het schooljaar 2009-2010 staan 6 nieuwe groepen gepland. Bovendien zal de bijscholing ook als maatwerk worden aangeboden aan een aantal provincies en regionale samenwerkingsverbanden.

De cursus omvat 10 uren contactonderwijs en 30 uren afstandsonderwijs. Daarbij wordt intensief gebruikgemaakt van de elektronische leeromgeving (ELO) van de bibliotheekschool. De cursisten doorlopen er in circa 10 weken de 23 Dingen via een 100-tal opeenvolgende stappen in een leerpad. Dit wijkt af van de structuur van 23dingen.be en 23dingen.nl, waar elk Ding afzonderlijk wordt gepubliceerd in de vorm van een blogbericht. Het leerpad in de ELO laat toe om de leerstof in kleinere – meer aanschouwelijke – leerinhouden en -activiteiten op te delen. Wat wel met het originele concept overeenstemt, is dat iedere deelnemer een eigen weblog start en blogt over zijn ervaringen met de Dingen. Hij denkt na over hoe ze ingepast kunnen worden in de dienstverlening en schrijft daarover. Bovendien volgt hij de blogs van de andere deelnemers en reageert op hun berichten.
Aan het einde van de opleiding ontvangt de cursist van de bibliotheekschool een bewijs van deelname. Als hij slaagt voor de permanente evaluatie, d.w.z. kritisch blogt over minstens 20 Dingen, ontvangt hij daarenboven een attest.

De coach begeleidt maximum 18 deelnemers per groep en verschaft ondersteuning tijdens de contactsessies bij de start en afronding, via reacties op de blogberichten en via de agenda, forums en aankondigingen binnen de elektronische leeromgeving. De ELO biedt naast het leerpad dus ook tools die gebruikt worden voor de opvolging van de deelnemers en zo een meerwaarde geven aan het leerproces.

Helene Blowers, de bedenkster van 23 Things, heeft haar online leerprogramma niet voor niets de hoofdtitel Learning 2.0 meegegeven. Leren 2.0 is een nieuwe benadering van leren waarbij cursisten vooral leren door zelf te doen. Het is leren door ontdekken en proberen, spelen en delen, schrijven en reageren. De cursisten laten zich door elkaar inspireren en de coach leert van op afstand mee.
Leren 2.0 is naast zelfstandig werken ook inventief en assertief zijn, zich laten verrassen en zijn drempelvrees overwinnen, maar ook wel eens tijd verliezen, sukkelen, zich gefrustreerd voelen en vloeken.

Dit is niet voor elke cursist even evident.
Uit een bevraging bij aanvang van de cursus blijkt dat er – zoals te verwachten valt – onder de deelnemers heel verschillende leerstijlen voorkomen.
Aan de ene kant heb je mensen die liefst in groep leren, bij voorkeur aan de hand van een goed geplande en gestructureerde cursus, met veel mogelijkheid tot direct contact met de begeleider. Aan het andere uiteinde zitten mensen die liefst zelfstandig en op eigen ritme door een cursus gaan, bij problemen zelf een oplossing zoeken, en weinig of geen behoefte hebben aan begeleiding.
Toch geven op het einde van de 23 Dingen cursus slechts een minderheid van de cursisten aan dat ze liever zouden hebben dat iemand hen alle leerinhouden face to face doceert, zodat ze alles gewoon kunnen instuderen. Iets meer dan de helft van de cursisten melden dat ze de leerstof intensiever hebben doorgenomen en aldus meer kennis hebben opgenomen dan bij louter klassikaal onderwijs het geval zou zijn geweest. Bij hen heeft afstandsleren er ook voor gezorgd dat ze andere competenties hebben verworven zoals zelfstandig leren zoeken naar oplossingen, leren samenwerken met anderen en leren communiceren over een probleem.
Als je – in de mate van het mogelijke – rekening houdt met de verschillende leerstijlen, lijken de 23 Dingen dus wel degelijk geschikt voor afstandsleren.

Opmerkelijk is dat nogal wat cursisten aangeven bij de 23 Dingen cursus kant-en-klare handleidingen te missen. Die verzuchting staat eigenlijk haaks op de 2.0 gedachte. Learning 2.0 beoogt dat deelnemers zich laten onderdompelen en zelf voor een stuk de dingen gaan uitzoeken en ontdekken in plaats van stap voor stap een gids te volgen.
Of men nu wel of niet ingaat op de vraag naar stap voor stap instructies, het is, om teleurstelling te voorkomen, alleszins aangewezen de leerdoelen en methodiek voorafgaand aan en zeker bij de start van de cursus te verduidelijken.
Eenmaal de drempelvrees overwonnen, blijkt de roep om handleidingen trouwens sterk af te nemen. Voor de meeste cursisten is het dan ook mogelijk de opdrachten af te handelen aan de hand van de – veeleer beschouwende – informatie in het leerpad en eventueel wat extra hulp van de coach en/of andere deelnemers. Wie graag meer gedetailleerde uitleg heeft, kan immers altijd terecht in de forums van de ELO, waarvan daadwerkelijk veel gebruikgemaakt wordt.
Vermeldenswaard is hierbij nog dat het merendeel van de cursisten na afloop van de cursus aangeeft dat ze zonder coaching en aanmoediging van de begeleider en medecursisten de eindstreep niet gehaald zouden hebben.

Verder melden behoorlijk wat deelnemers in tijdnood te verkeren. Zij besteden ettelijke uren aan het tot in de puntjes uitpluizen van de Dingen. Bovendien spenderen zij veel tijd aan het lay-outen en verfraaien van hun blog, niet meteen een basisvereiste om de 23 Dingen cursus tot een goed einde te brengen.
Het is hier aan de coach om duidelijk aan te geven wat hoofdzaken en wat bijzaken zijn.
De 23 Dingen coach moet zich daarbij ook de vraag stellen of het interessanter is om deelnemers van zo veel mogelijk Dingen slechts kort te laten proeven dan wel om minder Dingen voor te schotelen, maar die dan diepgaander te behandelen. Deze keuze hangt uiteraard af van het niveau van de groep.
Wanneer iemand stelt dat de 23 Dingen cursus niet aan zijn verwachtingen beantwoordt, is dit trouwens altijd een meer gevorderde deelnemer die de Dingen te gronde wil leren toepassen in plaats van er louter mee kennis te maken.
Een oplossing waar bijna niemand iets voor voelt, is de duur van het programma verlengen, zodat in meer uren meer dingen meer diepgaand kunnen worden bestudeerd. Uit de bevraging komt naar voren dat het merendeel van de cursisten 10 weken net goed vinden, niet langer of niet korter.

Ongeveer de helft van de cursisten geeft aan naast de start- en slotbijeenkomst nood te hebben aan een tussentijdse ontmoeting voor meer toelichting bij Dingen die ze zelfstandig maar moeilijk kunnen verwerken. Daarbij is er niet alleen vraag naar meer technische uitleg, maar ook naar meer discussie en brainstormen, zodat men elkaar beter kan voeden met ideeën.
Verder spreken bijna alle cursisten de wens uit na geruime tijd nogmaals bij elkaar te komen om te bekijken of de 23 Dingen cursus daadwerkelijk zijn vruchten heeft afgeworpen in de bibliotheken. Ook al zijn nu reeds enkele ex-cursisten in hun bibliotheek aan de slag gegaan met bloggen, Facebook, verrijking van de catalogus, enz., voorlopig is het voor Vlaanderen te vroeg om conclusies te trekken over de invloed van de 23 Dingen cursus. Op moment van schrijven is op 23dingen.be de eerste cyclus nog niet afgerond en hebben aan de bibliotheekschool nog maar vier groepen het 23 Dingen traject volbracht.
De Bibliotheekschool van Gent plant daarom in het voorjaar van 2010 een terugkomdag voor alle ex-deelnemers en andere geïnteresseerden, een dag waarop ervaringen zullen worden uitgewisseld en resultaten geïnventariseerd.
Tegen dan zullen ook aanzienlijk meer Vlamingen de 23 Dingen doorlopen hebben, zodat een vergelijking met de verwezenlijkingen van de duizenden 23 Dingers uit Nederland mogelijk wordt.

Citaat

4/06/09

Elk leven is een encyclopedie, een bibliotheek, een inventaris van voorwerpen, een verzameling van stijlen, waarin alles voortdurend door elkaar geschud wordt en vervolgens op alle mogelijke manieren opnieuw geordend kan worden.

Italo Calvino

Vergrijzing

28/10/08

Een van de nieuwe eindwerkonderwerpen aan de Bibliotheekschool luidt: “De vergrijzing aan de kust: wat doet de bib ermee?”
Blijkt dat senioren, die aan de Vlaamse kust in de meerderheid zijn, moeilijk de weg naar de bibliotheek vinden.
Ik legde deze bevinding voor aan mijn flamboyante 75-jarige tante. Haar eerste reactie luidde: “Weer iemand die de vergrijzing als een probleem bestempelt en ons liever kwijt dan rijk is!”
Net niet dus.
“Trouwens, wij gaan hier wél naar de bibliotheek, want daar kunnen we gratis parkeren.” (het was in Oostende)
Nu nog de bibliotheek binnen stappen in plaats van de nabijgelegen crêperie.

1001 supermarktwijnen

18/09/08

1001 supermarktwijnen

Een heel dankbaar onderzoeksonderwerp in de wereld der informatieontsluiting is wijn. Het is lekker. En het blijkt uitstekend om wat classificatietheorie aan te toetsen.

In september en oktober houden heel wat supermarkten een wijnfestival. De ene (gedrukte) brochure is daarbij de andere niet. Delhaize hanteert als eerste verdelingscriterium de kleur (wit, rosé, rood), Makro kiest voor type wijn én wijnstreek/land (dessert- en aperitiefwijnen, Luxemburg, Elzas, Loire, …, Champagne en schuimwijn). Wat hier het beste uitgangspunt is, hangt af van de klant, hoe die zijn wijn kiest.

Simonne Wellekens staat gekend als een wijnkundige die zich in de supermarktklant weet te verplaatsen. In 2008 verscheen van haar hand immers de eerste editie van 1001 supermarktwijnen. In de inleiding vermeldt ze: “Deze gids is bedoeld om het aankopen van wijn toegankelijker te maken voor de gewone man of vrouw.”
Is Simonne Wellekens daar met haar ontsluiting ook in geslaagd?

In Wellekens’ classificatie komt op het hoogste niveau de supermarkt (Carrefour-GB, Colruyt, Delhaize, Makro, Match, Oxfam-Wereldwinkels, Spar), op het tweede niveau staat de kleur / het type (rosé, wit, mousserend, rood) en tot slot – op de derde plaats – de prijs (tot 5 euro, tot 10 euro, meer dan 10 euro).

Die combinatievolgorde zit goed. De gewone man of vrouw is verknocht aan zijn supermarkt, die gaat niet voor een bepaald wijntje elders naartoe. De gewone man of vrouw heeft verder een kleur in het hoofd (ik maak vis, dus ik wil wit) en kijkt vervolgens pas naar de prijs. Het is niet omdat de rode twee euro minder kost dan de witte, dat de supermarktklant die zal kopen.
Bij deze drie niveaus blijft het. Binnen zijn prijsklasse krijgt elke wijn een quotering door middel van sterren en kun je de proefnotities (kleur, geur, smaak, alcohol) van de fles nalezen.
Geen indeling dus naar druif (Pinot Noir, Merlot, …) of wijnstreek (Bourgogne, Bordeaux, …) zoals in de klassieke gidsen voor kenners schering en inslag is.

So far so good, maar waarom heeft deze gids geen index? Soms zie ik een fles bij vrienden op tafel en dan vraag ik me af, wat zou Simonne Wellekens over deze wijn schrijven, in welke supermarkt verkopen ze hem, wat kost hij? Onbegonnen werk om dit via haar gids te achterhalen.

Ik heb nooit begrepen waarom er geen index is. Tot een cursist in de les Inhoudelijke ontsluiting opperde: “Zij vindt het waarschijnlijk onbeleefd dat iemand via haar gids de prijs van een gekregen fles zou opzoeken.”

Olympische classificaties

24/08/08

Als men mij gevraagd zou hebben, hoeveel sporten er op de voorbije Olympische Spelen beoefend werden, ik had waarschijnlijk 100 geantwoord.
Officieel tellen de Spelen echter maar 28 sporten.

Even kijken of die dan ook zo op de website van onze sportzender Sporza opgelijst staan.

Classificatie Sporza

Het zijn er 32. De watersporten schoonspringen, synchroonzwemmen, waterpolo en zwemmen heeft men bij Sporza gesplitst. Zo ook beachvolleybal en volleybal. Voor hetzelfde geld had men boogschieten en schieten, of badminton, tafeltennis en tennis kunnen samenvoegen.
Om maar te bevestigen wat we al lang weten: elke classificatie is een kunstmatige constructie en je mag nooit beweren dat een bepaalde classificatie juist of fout is.
Wel durf ik opmerken dat schoonspringen alfabetisch fout gerangschikt staat.

Hoe zou het lijstje eruit zien op de officiële website van de Spelen? Volgt die wel de officiële classificatie? Nog minder: men vermeldt 38 sporten in plaats van 28. Canoe/kayak, cycling en gymnastics worden op het hoogste niveau opgesplitst waar de officiële classificatie dat niet doet.
De ‘classificateur’ heeft wel getwijfeld of hij trampoline al dan niet bij gymnastiek zou rekenen, getuige de alfabetisch foutieve plaatsing.

Classificatie officiële Olympische website

Is er iemand bij het Beijing Organizing Committee die erover nadenkt en beslist om categorieën al dan niet te splitsen? Een Chinees die gedurende een jaar verplicht werd om elke dag van zes uur ’s ochtends tot elf uur ’s avonds een bibliotheekopleiding te volgen? En dan nog vergeten om trampoline alfabetisch op zijn plaats te zetten, als daar maar geen tweede zit van komt.

Baby’s uit de lange staart

4/06/08

Een blog die ik met plezier volg, is David Weinbergers Everything is miscellaneous. Omdat hij leuk denkt. Zo linkte hij onlangs de huidige diversiteit aan voornamen aan de alomtegenwoordige lange staarten.

Inderdaad, waar ik onder mijn kennissen drie Jokes, vijf Carinen en tien Sofies tel, heten hun kinderen Pita, Iege en Piffin.

Op de website van de Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie van onze federale overheid verscheen eind 2002 (aan de vooravond van de 2de dot-com bubble) een nieuwsflits met de titel Steeds meer verschillende voornamen.

De redenen voor deze toenemende diversiteit zijn vermoedelijk van velerlei aard: de in toenemende mate multi-etnische samenstelling van de bevolking, toenemende contacten met het buitenland, individualisering, emancipatie, detraditionalisering, een grotere soepelheid bij de bevolkingsdiensten en het bestaan van nieuwe manieren om het voornamenbestand te raadplegen.

Een unieke naam is alvast handig als je in deze tijden nog een herkenbaar Hotmail of Google adres wil bemachtigen.
Misschien is er wel een verband tussen de namen die we aan onze kinderen geven en de grote variatie aan virtuele namen waarmee we tegenwoordig geconfronteerd worden? Zijn we zo gewoon aan de bonte verscheidenheid van nicknames dat we het op onze nakomelingen projecteren?

In het artikel is er verder sprake van de Mandelbrotverzameling en de wet van Zipf: de frequentie van voorkomen van een naam is omgekeerd evenredig met de rang van de naam in de frequentietabel. Het gaat hier om statistische distributies waarbij de lange staart een bekend gegeven is. Dat heeft Weinberger dus goed gezien.

Zipf curve

Ook vermeldenswaard in dezen is de website van Kind en Gezin. Je kan er voornamen zoeken volgens populariteit óf volgens originaliteit.
Blijkt dat er tussen 1996 en 2008 geen Commissaresse geboren is.

Elke goede relatie is een mashup

27/05/08

Ik was een artikel over mashups aan het lezen, toen me voorkwam dat elke goede relatie eigenlijk een mashup is.

Mashups zijn innovatieve websites die twee of meer bestaande, externe databronnen op het internet combineren, met als resultaat nieuwe informatie, dikwijls gepresenteerd met een verrassende interface.

Is dat niet de definitie van een geslaagde relatie, dat er door een combinatie van twee (of meer) nieuwe informatie ontstaat? Dat er door je data samen te gooien met die van een ander frisse ideeën ontstaan?

Startpunt van de opmars der mashups is juni 2005, toen Google besloot de API van Google Maps vrij te geven. API staat voor Application Programming Interface, en betekent zoveel als het bedieningspaneel, aangeboden door de eigenaar van een webdienst, dat programmeurs toegang biedt tot die dienst, waardoor deze geïntegreerd kan worden in weer nieuwe initiatieven.

Het komt erop neer je open te stellen voor je partner, zodat die van je API gebruik kan maken, en omgekeerd.

Als je de gebruikers van jouw techniek een plekje achter de knoppen gunt, zullen ze er voor je het in de gaten hebt veel meer mee doen dan je zelf ooit voor mogelijk had gehouden – of mogelijk had kunnen maken.

Dit heet ‘het beste uit elkaar halen’.

Radical Trust versus Trust Earned

24/04/08

Librarian 2.0 formula

Verleden week hoorde ik op uitnodiging van het Vlaams Centrum voor Openbare Bibliotheken de mannen van ONE Agency en Insites praten over hun FutureTalking project.
FutureTalking onderzoekt – onder het motto learn from consumer’s interactions – via een online gemeenschap welke invloed sociale netwerken en nieuwe media hebben op het ‘huishouden’ en de ‘carrière’ van de deelnemers.
Het VCOB, een van de partners in het project, volgt deze community op de voet en wil zo een beter beeld krijgen van hoe ze zelf door middel van sociale netwerken en nieuwe media hun doelen kunnen realiseren.

Een van de credo’s uit het onderzoek luidt: “Trust has to be earned.” Bedrijven – of ze zich nu in een online sociaal netwerk begeven of niet – moeten telkens opnieuw het vertrouwen van de klanten winnen.

Dit deed me denken aan Darlene Fichters radical trust uit haar befaamde Library 2.0 formula:
Library 2.0 =
(books ‘n stuff + people + radical trust) x participation

Darlene Fichters radical trust is zowat het tegenovergestelde van trust has to be earned, maar het is dan ook anders gekaderd:

Radical trust is about trusting the community. We know that abuse can happen, but we trust (radically) that the community and participation will work. In the real world, we know that vandalism happens but we still put art and sculpture up in our parks. As an online community we come up with safeguards or mechanisms that help keep open contribution and participation working.

Het gaat in Fichters formule, bekeken vanuit het perspectief van de bibliothecaris, over “trusting users as co-developers”.

Wat als je de rollen omkeert en het bekijkt vanuit het oogpunt van de gebruiker die voor ‘t eerst in contact komt met een 2.0 bibliothecaris? Geldt dan niet het motto dat vertrouwen eerst verdiend moet worden?

Dit leidde me tot volgende formule:

Librarian 2.0 =
(services ‘n stuff + persons + trust earned) x interaction

Geen books ‘n stuff, maar services ‘n stuff.

Geen patrons, liever ook geen users of gebruikers, maar wel persons: de gebruiker van weleer vraagt nu gepersonaliseerde diensten.

Van die persons krijgen we dus ook niet zomaar radical trust, dat moeten we eerst inwinnen.

Waar in Fichters formule de “scaling up factor” gebaseerd is op participation, komt hier interactie op die plaats. Zonder services, persons en trust earned geen interactie en het is precies die vorm van communicatie waar het bij een bibliothecaris 2.0 om draait.

Verdere wiskundige bewijsvoering of correctie van harte welkom!

E-inclusie en/of Web 2.0

10/04/08

Op edublogs.be verscheen een kort verslag over de studiedag ‘digitaal over de drempel’. Ik zie daar een zekere tegenspraak in.

Organisator VSNG, een steunpunt bij LINCvzw, wil onderzoeken hoe openbare bibliotheken en centra voor basiseducatie kunnen bijdragen aan het dichten van de digitale kloof. Wat is hun rol? Wat zijn hun sterktes en zwaktes, hun ambities en hun mogelijkheden?

Op de studiedag werden drie praktijkvoorbeelden gepresenteerd, alsook het project Bibopener, een toeleidingsmodule voor kwetsbare maatschappelijke groepen, of anders gezegd, een methodologie om het publieksbereik van openbare computerruimten en van de openbare bibliotheek uit te breiden. Met het initiatief wil LINCvzw op de eerste plaats bijdragen aan de informatiegeletterdheid van sociaal zwakkere groepen.

Kern van de zaak is dus het concept e-inclusie, een lovenswaardig concept.

Maar, wat me links en rechts opvalt, is dat e-inclusie in één adem wordt genoemd met bibliotheek 2.0.

Bij de post op edublogs.be zit het al in de titel: Digitale kloof en bib2.0. Verder:

Feit is dat veel bibliotheken een nieuwe rol aan het zoeken zijn in de kennis- of informatiemaatschappij. Een interessant rapport over de nieuwe rol van de klassieke bib (bib2.0) is de studie “De digitale openbare bibliotheek in Vlaanderen”.

Wat dat rapport van het VCOB volgens mij niet is, is een rapport over e-inclusie.

In de comments schrijft Steven Verjans:

In Nederland is er sinds december 2007 een ‘librarian-in-residence’ met als opdracht om de link naar Web2.0 te leggen. Meer uitleg vind je hier.
En je vindt er ook een bloeiende community van bibliothecarissen uit NL en VL die samen zoeken naar antwoorden en tips over hoe de bibliotheek zich moet/kan hervormen. bibliotheek20.ning.com.

Librarian 2.0 in Residence, Jan Tweepuntnul, heeft niet als hoofdopdracht bij te dragen aan de informatiegeletterdheid van sociaal zwakkere groepen.
Op Bibliotheek 2.0 ning wordt in verhouding relatief weinig over de digitale kloof gepraat.

Integendeel, zou ik zeggen, bib 2.0 believers gaan voor een stuk voorbij aan de kwetsbare maatschappelijke groepen, omdat 2.0 nu eenmaal staat voor iets (heel) anders dan e-inclusie. En omdat het een ándere manier is om de bibliotheek te benaderen.
Wat ik met 2.0 associeer, zijn digital natives, prosumers en egocasters.

Ik herinner me de Techno Tuesdays in Vancouver Public Library afgelopen zomer: vrij geavanceerde workshops over podcasten, bloggen, sociale netwerken, gericht op zulke egocasters, ideaal om de bib een ‘hip’ en ‘jong’ imago aan te meten?
Voor het project Bibopener worden leertrajecten ontwikkeld die nauw aansluiten bij de specifieke behoeften van de onderscheiden kansengroepen. Dit roept bij mij veeleer de associatie ‘solidair’ op dan ‘hip’ en ‘jong’.

Tot wie moet de openbare bibliotheek zich richten? Bij voorkeur tot iedereen, lijkt me.
Maar kan dat ook/nog? Ik stel het even zwart-wit.
Zal het het imago van de bib wel ten goede komen als we haar promoten als dé plek om de digitale kloof te dichten? Is er dan ook nog plaats voor de Net Generation? Of proberen we precies die Generatie Y voor ons te winnen en blazen we via hen de bibliotheek nieuw leven in, zodat ze voor iedereen (weer) aantrekkelijk wordt/blijft?
Anders geformuleerd, meten we onszelf een zacht imago aan, en verliezen we dan (een stuk) de strijd om de ‘nieuwe’ gebruiker, of gaan we voor een transformatie, proberen we onszelf alsnog te verkopen aan een jong en kritisch publiek?

Ik heb alvast een antwoord gezocht in de verse publicatie van het Sociaal Cultureel Planbureau De openbare bibliotheek tien jaar van nu. Daarover later meer.