Krabbel of babbel
ZB Digitaal maakte onlangs de staat van de biblioblogosfeer der Lage Landen op. Hij komt daarbij tot de conclusie dat anno 2009 op veel blogs nog slechts incidenteel updates verschijnen. Daarbij vraagt hij zich af of er sprake is van blogmoeheid (1), of men is overgestapt naar Twitter (2), of men het te druk heeft met andere dingen (3), of men geen heil meer ziet in weblogs als platform (4).
Voor mezelf gelden antwoord (3) en (4), maar als je er het laatste hoofdstuk van Alex Wright’s Glut op naleest, ligt de algemene oorzaak waarschijnlijk veeleer bij (1) en (2).
“As more and more people get online, their interactions feel increasingly like a vast, far-flung conversation. Ultimately the Internet’s popularity may have less to do with a renewed public love of reading and writing than with our deep-seated need to talk.”
Verder: “The Web is a place to talk.”
Als babbelen, zoals Wright zegt, in de aard van het beestje zit, dan lijkt het inderdaad plausibel dat de meeste mensen ook op het Web liever ‘babbelen’ dan schrijven/lezen.
Wie graag een eindje wegkletst, zal bloggen (in volzinnen) sneller moe zijn en zich waarschijnlijk met plezier bekeren tot toepassingen als Facebooks prikbord. Ik ken ook een aantal spraakwaters die nooit geblogd hebben en nu heel actief zijn op Twitter. Een vriendin, een praatlustig type, heeft pas vorig jaar voor het eerst een computer aangezet, maar is ondertussen niet meer van chat en Facebook weg te slaan.
De eerste 200 bladzijden van Glut zijn geschiedenislessen die snel uit mijn geheugen zullen verdwijnen, maar het laatste hoofdstuk houdt me bezig.
De laatste maanden voel ik een zeker onbehagen, iets in de trant van: “Web 2.0 is een boeiend gegeven, maar voor chat, Twitter en Facebook kan ik privé maar moeilijk warmlopen.” Ik zie vrienden vrolijk online chitchatten, elkaar goede vakanties wensen, elkaar uitnodigen voor quizjes, elkaar voorzien van faits divers. Ik doe dat zelden. Vraag me vervolgens af of ik wel een attente vriendin ben en of ik online toch niet wat spraakzamer moet zijn. Waarom kan ik me er moeilijk toe brengen om online met familie, vrienden of oude bekenden een babbeltje te slaan? Iemand even goeiedag zeggen kost weinig tijd of moeite.
Doordenkend op het laatste hoofdstuk van Glut vond ik het antwoord.
Ik ben geen babbelkous. Nooit geweest, offline niet en dus logischerwijs ook online niet. Nu het Web meer en meer ‘a place to talk’ wordt, voor Wright een logisch gevolg van de allesoverheersende mondelinge traditie (bekijk de gehele wereldgeschiedenis en je ziet hoe relatief het belang van geschreven tekst is), lijkt het niet vreemd dat de ’schrijvers’ en ‘lezers’ onder ons zich daar wat onwennig, zo je wil ongelukkig, bij voelen.
Ik denk aan een column van Dimitri Verhulst over de verschrikkingen van sociale netwerksites (smoelboek) en Skype. Wat blijkt, hij vindt kletsen/chatten maar niets, houdt niet van klasreünies, telefoneert niet graag.
Dimitri Verhulst is een schrijver, ik ben ’schriftelijk’ en een vriend van me is ook veeleer ‘lezerig’. Die chat niet, sms’t zelden en ondanks een profiel op Facebook doet hij nooit status updates. Als wij elkaar mailen, zijn dat meteen enkele A4-pagina’s, in schrijftaal.
Alex Wright heeft het er niet over, maar ondanks een instinctieve voorbestemdheid tot het gesproken woord is er vast een grote minderheid die zich – door opvoeding of omgeving, bv. stille ouders? – beter voelt bij het rustig neerpennen of lezen van volzinnen. Uit de niet altijd zo gesmaakte ‘babbel’zaken onder de 23 Dingen meen ik trouwens te mogen afleiden dat menig bibliotheekmedewerker de symptomen van Dimitri Verhulst vertoont.
10/08/09 om 8:34
goed gezegd eva!
10/08/09 om 10:05
goed gezegd dimitri!
10/08/09 om 11:22
Hoi Eva,
Ik vind het in ieder geval heel mooi dat je ‘old skool’ de moeite hebt genomen je gedachten hierover in een mooie posting te plaatsen.
Interessant denkvoer bovendien. Dank.
10/08/09 om 12:39
Ja, dat stemt tot nadenken.
Zelf maak ik met plezier zowel gebruik van een blog als van sociale netwerksites als Twitter en Facebook. Ik combineer het “kletsen” met het schrijven.
Als ik een e-mail schrijf aan familie, goeie vrienden of kennissen, dan neem ik meestal veel tijd om “mooie” goedgebouwde zinnen te schrijven.
Dat ik de laatste tijd minder blog, heeft eerder te maken met het feit dat schrijven voor mij echt wel wrochten is. Als ik een stuk schrijf – of een brief – dan moeten mijn zinnen lopen als een trein. Ik blijf er dus aan schaven en schrappen. Dus ook over deze reactie is nagedacht.
Telefoneren doe ik in verhouding heel weinig en meestal alleen voor zakelijke communicatie. Telefoontjes met bekenden hou ik kort, tenzij ze veraf wonen of ik ze zelden zie. Maar anders babbel ik liever met ze face-to-face.
11/08/09 om 8:23
Ik ben, geloof ik, ook schriftelijk.
Met een blog waarop ik minder schrijf (einde schooljaar en vakantie)
en hekel aan recepties, telefoon en babbelen.
Lang leve de neurodiversiteit!
2/09/09 om 22:23
Ik herken het.
Mijn huidige blog was nooit levensvatbaar en is nu een stille dood aan het sterven. Maar dat heeft weinig te zien met de 4 genoemde oorzaken. Ik geloof gewoon niet dat wat ik te vertellen heb interessant genoeg is voor anderen. En dat is geen bescheidenheid, of het zou valse moeten zijn. Bovendien ben ik zelden luchtig en/of positief. Het is gewoon wijzer om mijn bakkes te houden.
Ik volg wel een pak blogs via RSS. Er zijn genoeg mensen die boeiende en nuttige zaken te vertellen hebben, die hun kennis willen delen. Ik ben hen erg dankbaar.
Maar kennis kan je moeilijk overbrengen via Twitter, lijkt me. “Words aren’t interesting. Ideas are.” schrijft iemand in de lange en geanimeerde discussie na een blogpost op TechCrunch (http://www.techcrunch.com/2009/08/17/why-i-dont-use-twitter/). Een andere interessante post in dit verband vind je op Onsoftware (http://en.onsoftware.com/is-twitter-destroying-blogging/).
Zelf ben ik zowel een prater als een zwijger. Hoe meer mensen rond me, hoe minder ik zeg. Als ik echter maar één (maximum twee) geïnteresseerde gesprekspartner heb, dan ben ik niet te stoppen. Daarom verkies ik live gesprekken, of als het toch op afstand moet brieven, zowel analoog als digitaal. Ik heb nu eenmaal veel woorden en tijd nodig om iets (hoe weinig dat ook mag zijn) te vertellen.
Dat zal dan wel ouderwets en onproductief zijn volgens sommigen, maar als ik een van de 3 biggetjes zou zijn, dan ongetwijfeld dat met het stenen huis. Gefundeerde meningen die tijd vragen om op te bouwen verkies ik verre boven het vluchtige gekwetter van de ‘moderne’ professional. De wereld van de informatietechnologie krijgt steeds meer trekjes van de halfjaarlijkse cirsussen in Milaan, Parijs etc.: alles is nieuw, gesofisticeerd, commercieel en leeg.
Microblogging is over zijn hoogtepunt, augmented reality is de nieuwe mode.
En daarna human augmentation. Voor meer info zie: http://www.readwriteweb.com/archives/gartner_hype_cycle_2009.php en http://www.readwriteweb.com/archives/your_cyborg_eye_will_talk_to_you.php
Zo, ruim over de 140 tekens. De grens schaamteloos overschreden. Vrij als een klein blauw vogeltje. Vrij om overbodig te zijn. Dat lucht op.